Een verbazingwekkend wonder kenmerkte het begin van de werkzaamheden. Op zekere dag kwam een zieke man in het college. Hij was sterk vermagerd en leed aan ongeneeslijke maagkanker. Toen hij hem zag zei Broeder Andreas: ‘Kunt U morgenvroeg met me meekomen en op de heuvel werken?’ – ‘Wat moet ik daar doen?’ – ‘De weg naar de kapel moet breder gemaakt worden. Ik heb een krachtige man als helper nodig.’ – ‘Lieve Broeder, ik zou het graag doen, maar ik heb helemaal geen kracht meer. Ik wil eten en kan niet slikken.’ – ‘Goed, komt U morgen met me ontbijten en dan vellen we bomen.’ De volgende morgen kwam de man en deed het rij­kelijk ontbijt, dat de Broeder hem voorzette, alle eer aan. Zonder de geringste moeite kon hij alles slikken. Dan ging dit “wandelend lijk” aan het werk en zwoegde de hele dag als een stevige bosarbeider. Hij voelde geen pijn meer, de kanker was compleet verdwenen. Vele maanden lang hielp deze man Broeder Andreas.

Op 19 november 1904 werd in de kapel van het college een Jozefsbeeld gewijd en in plechtige processie naar het nieuwe heiligdom op de heuvel gebracht; ook een kruisweg werd  erin opgesteld. In deze kleine kapel hadden echter de steeds talrijker komende mensen geenszins plaats. Men plaatste daa­rom voor de kapel twee lange rijen banken.

Vicaris-generaal Mgr. Relicort wijdde de kapel, in aanwezig­heid van de leraren en scholieren van het college en een grote mensenmenigte, in. Aan de voorgevel van de kapel werd een tweede Jozefsbeeld opgesteld. Daarmee was het Oratorium van de H. Jozef werkelijkheid geworden. De Be­schermheilige van de heilige Kerk zal van nu af aan niet meer ophouden, op deze gewijde plaats zijn bewijzen van genaden op alle menselijke noden uit te storten.

Broeder Andreas was 59 jaar oud, een kleine, ziekelijke man, die voor het oog niets voorstelde. Vergeten waren nu alle strijd en moeiten van de afgelopen jaren. Vol innige vreugde genoot hij van de triomf van zijn grote Vriend, de bescheiden ambachtsman van Nazareth. Maar het was maar een heel bescheiden begin. De onderneming was door het bisdom nog niet goedgekeurd. Ook had het bisdom nog geen toestem­ming gegeven het Allerheiligste in het nieuwe  Oratorium te bewaren. Men stond alleen toe dat Broeder Andreas zijn liefdadigheid bij de zieken, die naar de Mont Royal stroom­den, uitoefende. Hij ontving ze aan de voet van het Jozefs­beeld.

Uittreksel uit “Bruder Andreas – Dienaar van de H. Jozef”
Miriam-Verlag, Jestetten (D)

Op deze avond knielde Broeder Andreas met zijn kleine kameraad inderdaad aan de voet van een boom, op een open plek in het bos. ‘Waarom bidden wij voor deze boom?’ vroeg de jongen verwonderd. – ‘Ik heb daar een medaille van de H. Jozef verstopt. Hij moet ons helpen, dat we dit stuk grond kunnen aankopen.’ – ‘Waarvoor wilt U deze berg dan heb­ben?’ – ‘Om de H. Jozef een mooie plaats aan te bieden.’ Het was ontroerend, de Broeder en de kleine met zo’n innige aan­dacht voor deze boom te zien bidden; die getuige van zo’n wonderbaarlijke gebeurtenissen zou worden. De bede­vaart naar deze boom vond in het vervolg nog dikwijls plaats en iedere keer herhaalde Broeder Andreas zijn kleine bege­lei­der: ‘We krijgen dit terrein heel zeker. De H. Jozef heeft een plaats nodig.’

Hij vroeg ook zijn Medebroeders zich aan te sluiten bij zijn ge­bed. Op zekere morgen vroeg de bestuurder van het col­lege: ‘Broeder Andreas, kunt U misschien verklaren waa­rom het kleine Jozefsbeeld op mijn kast iedere keer, als ik mijn kamer in orde breng, naar de berg toegekeerd is?’ Heel trouwhartig antwoordde de Broeder: ‘Omdat de H. Jozef daar vereerd wil worden.’

Na herhaaldelijke pogingen lukte het de Broeder eindelijk, zijn Ordegenoten voor zijn plan te winnen. Op 22 juli 1896 werd de Mont Royal door hen aangekocht. De medaille van de H. Jozef had dus de beoogde werking gehad. Iedere dag klom Broeder Andreas nu, met toestemming van zijn overste, op de Mont Royal; hij wordt vergezeld door Broeder Abundius. Beiden waren met een bijl bewapend en velden nu met grote ijver vele bomen om de plaats voor een laan te rooien, die later de naam “Boulevard St. Josef” kreeg. In een rots-nis plaatste Broeder Andreas een klein Jozefsbeeld. Hij verzocht de ouders van de scholieren dringend de heuvel te beklim­men, om te genieten van het heerlijk uitzicht en een aan­dachtig gebed tot de H. Jozef te verrichten. Zo begon heel bescheiden een bedevaart die niet zou ophouden steeds meer mensen aan te trekken.

In het begin van de zomer 1904 mocht Broeder Andreas op halve hoogte van de heuvel een kleine kapel bouwen. Op een woensdag, 19 oktober 1904, werd in deze kleine, houten ka­pel de eerste Heilige Mis gevierd. De Paters zagen in de kapel een oplossing niet meer zovele ongewenste bezoekers in de school te moeten gedogen.

Het grote werk van Broeder Andreas
 

Bescheiden begin

Broeder Andreas was vervuld van een tedere, kinderlijke liefde tot de H. Jozef. Sedert de vroegste kinderjaren had hij, op initiatief van de vrome Pastoor Provencal, de Heilige tot zijn Voedstervader verkozen. Hij was zijn onafscheidelijke met­gezel en vertrouweling gedurende zijn rusteloos leven als weeskind en in alle wisselvalligheden van zijn kinder- en jeugd­jaren. Hij riep hem aan in alle beproevingen, angsten en nood en vond bij hem altijd hulp en troost in alle innerlijk en lichamelijk leed. In de nabijheid van zijn vertrouwde vriend ervoer hij de reinste vreugden van zijn leven.

Aan dit geluk wilde hij ook anderen laten deelnemen. Hij trachtte daarom met de grootste ijver, de aandacht tot deze machtige Heilige ook zijn Medebroeders, de scholieren, be­zoe­kers en zieken in te prenten. Zijn vurige wens was het, de verering van de Beschermheilige van de katholieke Kerk ove­ral te verspreiden. Daarom vatte hij het moedige en gewel­dige plan op, om op de Mont Royal een  Oratorium ter ere van de H. Jozef te stichten. De Mont Royal verheft zich bijna in het centrum van de stad Montreal –  de stad is naar deze berg genoemd – tegenover het college van de Paters van het Heilig Kruis. Het was destijds een steile heuvel, met een dicht begroeid bos. Uit deze wildernis wilde de be­schei­den Leken­broeder het fundament van een prachtig heiligdom ter ere van de heilige Voedstervader van JEZUS maken. Zijn Mede­broeders beschouwden dit als dwaasheid en grootheids­waan­zin.

Het was in het jaar 1890. Broeder Andreas voelde in zijn binnenste steeds het heimwee naar de Mont Royal. ’s Avonds zag men hem vaak op het rotsachtig pad naar boven klim­men. ‘Broeder Andreas, waar bent U gisteravond naar toe gegaan? Ik zag U de berg opklimmen’, vroeg hem op zekere dag een scholier. – ‘Ik ga daar naar boven om tot de H. Jozef te bidden. Het is daar rustig.’ – ‘Wat, U gaat daar alleen naar toe? Bent U dan niet bang?’ – ‘Waarom zou ik bang zijn? Heb je misschien zin om mee te gaan?’ – ‘O ja, heel graag, Broe­der Andreas!’ – ‘Dan vraag je moeder toestemming en we gaan vanavond, na het avondeten, naar boven.’

Jaren geleden heb ik de kleine brochure over de H. Broeder Andreas gelezen. De inhoud heeft me zo enthousiast gemaakt en aan­gespoord te streven naar een innige betrekking tot de H. Jozef.